Zodra een externe firma bij u komt werken, verschuift er iets juridisch. U blijft verantwoordelijk voor de veiligheid in uw inrichting, ook voor mensen die niet bij u in dienst zijn. De welzijnswet legt dat vast in de artikelen 8 tot 12, onder de noemer werken met derden. Hieronder staat wat u precies moet doen, en hoe u het aantoonbaar maakt.
Wat zegt de wet?
De wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk regelt dit in hoofdstuk IV. Artikel 8 bepaalt om wie het gaat: uw inrichting is de geografisch afgebakende plaats onder uw verantwoordelijkheid waar u zelf werknemers tewerkstelt. Komt daar een aannemer werken, dan treden de verplichtingen uit artikel 9 in werking.
Uw verplichtingen (artikel 9, §1)
Als werkgever van de inrichting moet u, voor zover het relevant is voor de samenwerking:
- De aannemers informeren over de risico’s in uw inrichting en over de preventie- en beschermingsmaatregelen die daarbij horen.
- Hen inlichten over eerste hulp, brandbestrijding en evacuatie, en over de werknemers die die maatregelen uitvoeren.
- Nagaan of de werknemers van de aannemers en onderaannemers de passende opleiding en instructies hebben gekregen die eigen zijn aan uw activiteiten.
- Een specifiek onthaal van die werknemers organiseren.
- De interventies coördineren en de samenwerking tussen de aanwezige firma’s waarborgen.
- Toezien op de naleving van de welzijnsverplichtingen door de aannemers.
Paragraaf 2 gaat nog een stap verder: aannemers die de wet niet naleven moet u weren, in de overeenkomst neemt u verplichte clausules op, en als een aannemer na ingebrekestelling niets doet, treft u zelf de nodige maatregelen, in de gevallen die de overeenkomst bepaalt op kosten van de aannemer.
De verplichtingen van de aannemer (artikel 10)
De aannemer staat er niet buiten. Hij moet de informatie die hij van u krijgt doorgeven aan zijn eigen werknemers en aan zijn onderaannemers, en hij moet u op zijn beurt inlichten over de risico’s van de werkzaamheden die hij komt uitvoeren. Inbreuken op de artikelen 9 en 10 zijn strafbaar via artikel 130 van het Sociaal Strafwetboek.
En op een bouwwerf?
Op een tijdelijke of mobiele bouwplaats gelden de regels voor werken met derden niet. Daar geldt een eigen regime: het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen. De coördinatie loopt er via de veiligheidscoördinator, die het veiligheids- en gezondheidsplan opstelt. De aannemers op de werf passen dat plan toe en informeren hun mensen erover.
De praktische vraag blijft dezelfde: wie de werf op komt, moet de regels van die werf kennen, en u wilt kunnen aantonen dat dat gebeurd is. De werkwijze hieronder geldt dus op een vaste inrichting én op een werf.
Welke informatie geeft u concreet?
De wet noemt categorieën, geen lijstjes. Vertaald naar de praktijk komt het hierop neer:
| Categorie | Wat u aanlevert |
|---|---|
| Risico’s in uw inrichting | De gevaren die eigen zijn aan deze locatie: rijdend materieel, hoogspanning, gevaarlijke producten, besloten ruimten, werken op hoogte. Haal ze uit uw risicoanalyse. |
| Preventiemaatregelen | De regels die daaruit volgen: verplichte PBM, afgebakende zones, werkvergunningen, snelheidsbeperkingen. |
| Noodprocedures | Hoe het alarm klinkt, waar het verzamelpunt ligt, waar de blusmiddelen en de AED hangen, en wie de hulpverleners zijn. |
| Coördinatie | Wie de contactpersoon is, hoe u werkzaamheden op elkaar afstemt, en hoe incidenten worden gemeld. |
Onthaal en instructie: vóór de start van het werk
Het woordje “specifiek” in artikel 9 is belangrijk. Een algemene brochure overhandigen is geen onthaal. Het gaat om informatie die op déze inrichting slaat, afgestemd op het werk dat deze mensen komen doen.
Even belangrijk is het moment. Het onthaal hoort thuis vóór de start van de werkzaamheden, niet halverwege de eerste dag. In de praktijk betekent dat: aan de poort, of nog liever daarvoor. Wat er inhoudelijk in hoort, leest u in het artikel over de poortinstructie.
Aantonen dat het gebeurd is
De verplichting om na te gaan én te informeren is pas sluitend als u ze kunt bewijzen. Na een arbeidsongeval of bij een controle is de vraag altijd dezelfde: welke informatie kreeg deze persoon, wanneer, en van wie?
Leg daarom per persoon vast wie het onthaal kreeg, op welke datum, in welke taal en op welke versie van de instructie. Voor uw eigen werknemers vraagt de codex bovendien een document, ondertekend door wie het onthaal gaf, waaruit blijkt dat de nodige informatie en instructies gegeven zijn. Hoe u dat praktisch inricht, staat in het artikel over registreren en aantonen.
Digitaal en vooraf regelen
De moeilijkheid zit zelden in de inhoud maar in de uitvoering: wisselende ploegen, onderaannemers die u pas ’s ochtends ziet, en chauffeurs die amper tien minuten blijven. Een papieren onthaal houdt dat niet bij.
Met E-lia stuurt u het onthaal vooraf door, of hangt u een QR-code aan de poort. De betrokkene doorloopt de instructie via WhatsApp, e-mail of webchat op de eigen gsm en in de eigen taal. Pas na afronding volgt de goedkeuring. De registratie met naam, firma, datum, taal, versie en toetsscore staat meteen in uw dashboard. Jan De Nul werkt zo op de eigen werven, en hoe dat er dagelijks uitziet leest u in het artikel over digitaal onthaal op de werf.
Meer over de aanpak vindt u op de pagina over poortinstructies.
Bronnen: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Werken met derden en de wet van 4 augustus 1996, artikelen 8 tot 12.
Het onthaal van externe firma’s aantoonbaar maken?
De instructie vooraf of via een QR-code aan de poort, in de eigen taal, met registratie per persoon.


